www.nettime.org
Nettime mailing list archives

[Nettime-nl] Thierry Baudouin: De Franse 'coordinations'- van beroepsgeb
Patrice Riemens on Fri, 6 Aug 2004 12:12:16 +0200 (CEST)


[Date Prev] [Date Next] [Thread Prev] [Thread Next] [Date Index] [Thread Index]

[Nettime-nl] Thierry Baudouin: De Franse 'coordinations'- van beroepsgebondencultuur naar stedelijk territorium vorming.


Dit artikel, oorspronkelijk uit het tijdschrift 'Multitudes' (# 17, Lente 
2004) gaat over de 'coordinaties', de nieuwe vorm van arbeiders 
zelf-organisaties en de 'intermittents' (flexibele arbeiders) in 
Frankrijk, onderwerpen die in het kader van de 'precariteit' 
tegenwoordig nogal in de bellangstelling staan. 

Omdat ik dit stuk toch in het Engels moest vertalen (gelukkig tegen
betaling) heb ik het maar ook naar het Nederlands omgezet. Ik raad de
lezerster, indien er een lezerster hiervoor te vinden is, om het snel
en 'overvliegend' tot zich te nemen, dan blijft h/zij geboeid, zoniet
geinteresseerd. Wat al te secure lezing daarentegen garandeert ergernis,
hoofdpijn, en getier tegen de 'Franse mist' ('French Fog').

ciao, patrizio & Diiiinooos!

-----------------------------------------------


Thierry Baudouin 

De Franse 'coordinations'- van beroepsgebonden cultuur naar stedelijk
territorium vorming.


De verscheidenheid aan tijdsschalen, die de basis vormt van het begrip
flexibele arbeid (in het Frans: 'intermittence', nu een gevleugeld woord),
maakt het ook problematisch om binnen de huidige (arbeids)strijd het
terrein af te bakenen waar een vruchtbare samenwerking binnen de
alternatieven producerende 'multitudes' kan plaatsvinden. De elite status,
die echter wel op een massale arbeidsonzekerheid ('precariteit') gebaseerd
is, waarin het onderwijspersoneel, onderzoekers en uitvoerende artiesten
opgesloten zitten, heeft hen ertoe gebracht om na te denken over andere
productieve territoria en andere vormen van openbaar bestuur die deze
alternatieven mogelijk zouden kunnen maken. Vanuit die oogpunkt bekeken,
zien wij dat de stad bezig is naar voren te komen niet alleen als het
terrein bij uitstek waar deze post-industriele scheppende arbeid en
samenwerkingsvormen plaats vinden, maar ook als het openbaar
bestuurslichaam is dat het best in staat is het potentieel ervan te
realisren. In dit kader zulen wij kijken naar twee daadwerkelijke
voorbeelden van arbeiders 'coordinaties' in Franse havensteden. Het is
algemeen bekend dat een van de markantste consequenties van de
'flexibilisering' van de arbeid de verdwijning inhield van al die
werknemers organisaties uit het 'Fordistische'tijdperk' die gestruktureerd
waren rond de arbeidsplek zelf - zonder dat er overigens iets anders voor
in de plaats kwam. En dat was des te meer het geval daar waar allerlei
pogingen werden ondernomen om de dichotomie te overstijgen tussen
productie en reproductie, tussen producenten en staatsburgers
('citoyens'). Deze rotsvaste bestanddelen van het industriele tijdperk,
worden krampachtig vastgehouden in staten die nog centralistisch zijn en
die nog steeds een zware stempel drukken op alles wat institutioneel is,
zowel in de politiek als bij de vakbonden. En dit is heel specifiek het
geval in Frankrijk.

De coordinaties vertegenwoordigen op dat punt een tweevoudig karakter,
eenerzijds omdat zij dwars snijden door de traditionele beroepsgroepen en
anderzijds omdat zij binnen een bepaald geografisch gebied opereren.  Men
kan niet genoeg benadrukken hoe beide zaken met elkaar verbonden zijn. De
coordinaties mobiliseren in de eerste plaats de werknemers die onderworpen
zijn aan gevarieerde vormen van dienstbetrekking, niet alleen tijdelijke
werknemers , of kenniswerkers ('immaterieel arbeid'), maar ook al degenen
die samenwerken binnen productieprocessen waarvan de moderniteit juist
daarin besloten ligt dat zij traditionele vormen van loonarbeid
doorbreken. Zulke ontwikkelingen sluiten geenszins werkenemers uit die nog
steeds vallen onder 'harde' arbeidscontracten ('vaste' werkgelegenheid).
Zij kunnen zelfs initiatieven nemen, zolang zij zich, maar dat is dan ook
een absolute voorwaarde, bevrijden van het dwangbuis van het (vakverbonds)  
corporatisme.  Deze samenwerkingsverbanden tussen verschillende vormen van
activiteiten die het resultaat zijn van nieuwe vormen van productie kunnen
zich bevrijden van de oude beroepsgewijze structuren omdat zij in de stad
de politieke motivatie vinden alsook de mogelijkheid om deze (
samenwerkingsverbanden) verder uit te bouwen. De re-territorialisatie van
de flexibele arbeid in de stad loopt parallel met het overstijgen van
zowel van staatswege bepaalde ruimtelijke domeinen als van rigide
beroepscategorieen die kenmerkend waren voor het industriele tijdperk.

Sinds het begin van de tachtiger jaren, d.w.z. sinds het begin van de
versplintering van de werktijden, eerst in de Fordistische firma, en
daarna binnen bijna alle vormen van loonarbeid, hebben wij verschillende
pogingen bestudeerd die tot doel hadden het herstellen van wat toen
meestal nog maar als een basale gebiedsgebonden solidariteit werd
begrepen, die noodzakkelijk werd geacht om "de maatschappelijke
samenhorigheid" te handhaven - zoals men het toen al begon te noemen. Het
waren Katholieke bewegingen die toen als eerste de nadruk gingen leggen op
een sociaal-economisch band dat gebaseerd was op het op een bepaald gebied
samenleven, en niet alleen maar op de productieplek (1). Zij organiseerden
het meeste van de steun aan de werkklozen en onvaste loontrekkers uit die
dagen. Van hun kant gingen sommige minderheidsgroepen binnen de CFDT (de
'gematigde' Franse vakbond, vert.) hun inspiratie zoeken bij de toenmalige
Italiaanse arbeidsstrijd en begonnen op heel kleine schaal een stedelijke
mobilisatie van prekaire werkers, met name in Caen en in de
'Basse-Normandie' regio.

Maar de op beroepsgroepen stoelende struktuuur van de overkoepelende
vakbewegingsorganen was lange tijd in staat om al deze initiatieven de pas
af te snijden omdat deze gebaseerd was in en op (geografische)  
'werkgelegenheids bassins', en daardoor beschuldigd werden om het
essentiele kenmerk van de arbeidersbeweging, het 'vak' (beroep) te
ondermijnen (2).  Veel langer dan elders heeft in Frankrijk de
gelijktijdige komst van en de globalisering en van de Socialistischje
Partij aan de macht de opvatting bestendigd dat productieve activiteiten
uitsluitend begrepen dienen te worden in het kader van Fordistische
loonarbeid. Tot op heden zijn er vele zg. 'niet-representatieve'
vakorganisaties die niet verder weten, kunnen, of willen gaan dan "nee" te
roepen tegen prekaire arbeid.  Het is dan ook geenszins toeval dat de
bevrijding uit de dubbele hierarchie van natiestaat en onderneming, beiden
het kenmerk van het industrieele tijdperk, het werk is van de coordinaties
in die steden die rechtstreeks te maken kregen met de globalisering van
het kapitaal. De reterritorialisatie van de strijd in de havensteden Saint
Nazaire en Duinkerken (Dunkerque) gebeurt inderdaad tegen multinationals
die zelf rechtstreeks met de steden zijn gaan onderhandelen. In het
algemeen privilegieert het (Franse) tijdschrift "Multitudes" andere
alternatieven die op andere vormen van mobiliteit stoelen, bijvoorbeeld
van migranten uit arme landen, van 'expats', en van de immaterielle
circulatie op het Net. Maar de bovengenoemde vorm van reterritorialisatie
maakt eveneens volledig deel uit van deze ontwikkelingen, omdat steden
zich moeten organiseren om de kapitaalstromen te controleren die door en
dankzij hen een essentieel gedeelte van de meerwaarde afromen, en
belangrijker nog, om een andere aanwending van deze kapitaalstromen voor
te stellen.

De Produktieve Stad.

De zuiver economische dimensie van de externalisatie praktijken die door
ondernemingen bedreven worden die daarmee in allerlei vormen van
activiteiten doen ontstaan in de stad als geheel, veranderen in zeer hoge
mate wat stedelijk is in de stad, zowel op het gebied van de tijdsbeleving
als van de handelsstromen. Zo heeft in havensteden de globaal
georienteerde logistiek van multinationale ondernemingen de traditionele
vervoersactiviteiten die aan de kadekant plaats vonden letterlijk uiteen
doen spatten en deze gedwongen deel te gaan uitmaken van een veel
uitgebreider net van commercieele- en geinformatiseerde competenties, die
over de hele stad en het omeland ver daarbuiten verspreid liggen. Deze
uitdijing van het lokale context dwingt tegenwoordig steden om
rechtstreeks met multinationele ondernemingen te gaan onderhandelen (en
vice versa), waarbij steden met elkaar in een 'competitie der talenten'
worden geworpen teneinde te bepalen waar investeringen in deze of gene
delen van het continent terecht gaan komen.  Niet alleen ondernemingen en
vakbonden en niet alleen individuele levens worden nu door het
productieproces ingelijfd, maar de gehele democratische en sociale
organisatie van de stad worden thans ingezet in een globale dimensie.

De dubbele vereiste voor steden, om, collectievelijk, bewust te zijn van
de sociale en economische strategieen die de globalisering voor hun
mogelijk maakt, alsmede om te beschikken over het openbaar gezag om hun
plannen te kunnen realiseren, maakt dat steden met een democratische
bestuurstruktuur een startvoordeel hebben in de competitie. Steden met
gezagsdragers die gekozen zijn vanuit politieke, economische en
maatschappelijke geledingen zijn in staat om behoorlijke stukken
meerwaarde voor hun bewoners, ondernemingen en territoir van globaal
opererende firma's op te eisen, en doen het daarmee veel beter steden die
nog steeds behept zijn met een hierarchische, door de natie-staat
opgelegde bestuurstruktuur. Daar waar de lokale regenten geen direkte
macht kunnen uitoefenen op afgevaardigden van diverse nationale
beslissingsinstanties staan zij met lege handen voor de nieuwe mechanismen
van de globalisering.  Alle havens, of zij nu staatslichamen zijn of
havensteden, maken deel uit van een economisch netwerk dat altijd al
gekenmerkt is geweest door de keerbaarheid van de goederen en informatie
stromen, en waarvan de volumen en de rytmen altijd veranderlijk zijn
geweest. Vanaf het begin van de industrialisatie waren zij gedwongen om
een aantrekkelijk en stabiel inkomen te garanderen aan een
werkenmersschare dat per definitie mobiel was, en door wiens handen
waardevolle goederen gingen. Havenarbeiders waren bij geen firma in het
bijzonder in dienst omdat zij beschikbaar moesten zijn naar gelang de
dagelijks wisselende behoeften van alle ondernemingen in de haven.  
Havenwerkers genoten derhalve overal van een 'sterk' arbeidscontract.
Nietemin verdween in Frankrijk dit 'sterk' arbeidscontract, ook in havens
die in overheidshanden waren, tegelijk met het verdwijnen van het Fordisme
(dit bewijst zijderlings dat het begrip gegarandeerde werkgelegenheid, net
zoals het hele economisch apparaat trouwens, alleen in relatie gezien
kanworden met het productief systeem waarvan het deel uitmaakt). In deze
(Franse, overheids-) havens die eigenlijk los stonden van hun stad was dit
gegaranderrd inkomen trouwens gebaseerd op een dubbele monopolie, van de
staat en van de vakbond.  De vakbond, d.w.z. de CGT (groot, zeer
hierarchisch, en aan de communistisch Partij gelieerd, vert.), die haar
monopolie met hand en tand verdedigde, opereerde binnen een 'gesloten
zone' die door de centrale staat volledig gereguleerd werd, omdat die toen
nog de regie voerde over alle buitenlandse handel. Deze samenkomst van
allenrechthebbenden produceerde een volstrekt naar binnen gesloten, niet
democratische ruimte, die ook malen meer dan gemiddelde inkomens mogelijk
maakten voor alle betrokkenen. Deze havens waar de arbeiders, maar ook de
patroons en de overheids ingenieurs in staat bleken om de verkregen
rechten van hun diverse beroepsgroepen tijdens de 'glorieuze dertig jaren'
na de tweede wereldoorlog te bestendigen waren zodoende twee tot drie maal
duurder geworden en tegelijk ook minder produktief dan hun (Noord)
Europese buren.  Dit is omdat in de meeste havensteden ter wereld, met
name in Noord Europa, het een lokale overheid is, stad, (Duitse) Lander,
of regio is die zo'n essentiele bron van inkomsten en van werkgelegenheid
beheert, en niet de (centrale) staat. In deze andere vorm van publiek
domein moeten overheidsinstanties, vakbonden en bedrijfsleven wel met
elkaar samenwerken om strategieen te ontwikelen voor wat een
gemeenschappelijke onderneming is. De uiting van tegenstellingen en
oneensheden mag zich, ja moet zich zelfs, ongeremd uiten, want deze
democratie is productief: de stad moet beslist in staat zijn om de
bepalende variablen vast te stellen die leiden tot economische keuzes voor
de ontwikkeling van een gemeenschappelijk domein, dat ook als zodanig door
alle acteuren ervaren wordt.  Al is het wel bekend dat de bestuursvorm die
gemeenschappelijk is aan alle productive territoria de uit het
industrieele tijdperk daterende centralistische, hierarchische, strukturen
van staat en onderneming van zich af schudden, toch moet de nadruk worden
gelegd op de eerst moverende reden van deze vernieuwing, namelijk om
nieuwe vormen van samenwerking mogelijk te maken die verder gaan dan de
versteende antagonistische verhoudingen. De opkomst van zulke 'plurale'
territoria wordt echter (in Frankrijk) sterk afgeremd door de 'jacobijnse'
machtsorganen die hun overwicht proberen te behouden door met name
havensteden te beschuldigen van allerhande twijfelachtige trafieken en
transacties, en/of andere vormen van dubieuze verrijking. Nu moeten wij
kijken naar de rol die sommige kategorieeen van arbeiders in de haven -
let wel, dit zijn niet langer de klassieke havenarbeiders! hebben gespeeld
om een begin te maken of zelfs ervoor te gaan agerenzodat twee Franse
havensteden, Duinkerken en st Nazaire aan deze andere vorm van
territoriaal bestuur zouden beginnen.

De geterritorialiseerde coordinaties.   

De moedwillige ontbinding van het havenwerkersstatuut door de Franse
socialistische partij in 1993 had het verwachte resultaat: de helft van de
havenwerkersgilde werd ontslagen, de andere helft werd individueel weer in
dienst genomen door de bedrijven. De vakbond GCT had op het eind met het
plan ingestemd, op voorwaarde dat de inkomenpositie van het bestaande
arbeiderspool overeind zou blijven, hetgeen geschiedde door middel van de
Franse equivalenten van VUT en WAO regelingen. Maar ondertussen bleef de
corporatistische arbeidsvoorwaarden struktuur onverlet, en ging geheel
voorbij aan de inmiddels exploderende precaire werkgelegenheid in de
logistieke sector, die zich over de hele stad, ver buiten de haven,
ontplooide.

Slechts twee coordinaties maakten van deze omwenteling gebruik om een meer
zelfbeheerde systeem van regulering van de werkgelegenheid in te stellen,
en dit buiten het het monopolie van de CGT om. Een loonbedrijf dat in
meerderheid in handen is van de werknemers, maar waarin ook de bedrijven
die een beroep erop doen participeren, werd opgericht en slaagde erin de
antagonistische patsstelling van non-communicatie, die het kenmerk was van
het "noch op loonarbeid noch op bedrijfscapitaal gebaseerde
uit-geterritorialiseerde produktivistische etatisch systeem"(sorry, hoor
ik schrijf dit niet, ik vertaal het alleen - daarom heb ik het maar tussen
aanhalingstekens gezet ...) te doorbreken. Een ondernemingsconvenant zorgt
voor een tot nog toe onbekende flexibiliteit in ruil voor inkomensgarantie
van alle werknemers, die zich op hun beurt wel sterk voor
produktiviteitvergroting moeten maken. Deze afspraken gelden dan zowel de
vaste werkenemers als de losse arbeidskrachten. De coordinaties stapten
definitief uit het corporatistisch dwangbuis door het integreren van de
precaire werkers, en zelfs van vrouwen. Zij stichtten, een primeur in
Frankrijk, ook een opleidingscentrum voor de havenberoepen en rekende
daarbij af met de bijkans genetische lokale traditie waarbij arbeid in de
haven beschouwd wordt als een 'mannenberoep' die alleen maar 'op de kade'
van vader op zoon overgedragen kan worden (5). Dit resulteerd in de
noodzaak voor permanente onderhandelingen tussen het loonbedrijf in handen
van de coordinatie en het het bedrijfsleven, net zoals allang het geval is
in de zeer produktieve Noord-Europeese havens. Het parool is dan om het
lokaal comparatief voordeel uit te buiten, en niet een corporatistische
monopolievoordeel.  De manier van opereren van de coordinaties blijkt in
staat om bedrijven aan te trekken die tot nog toe in grote meerderheid
niet bereid waren om in de voormalige gebureaucratiseerde havenzones te
investeren.

Deze overgang van de vakbond van havenarbeiders naar de "Coordinatie van
de werkenemrs in de havens een aanverwante beroepen" heeft geleid tot het
verdwijnen van andere blokkades op het gebied van de perceptie van wat
voorheen een op zich zelf staande zone was. De heftigheid van de reacties
van de kant van de oude institutionele monopoliehouders, waarbij de CGT
fysiek geweld niet schuwde, terwijl de overheid lange tijd de
representativiteit van de coordinaties niet wilde herkennen, ook al
spraken zij in naam van de meerderheid van de werknemers in de haven,
tekent wel de omvang van de verandering. Dat komt omdat het openbaar
optreden van de coordinaties niet alleen de havenbaronnen, maar ook het
stedelijk bestuur en de gemeenteraad aangaande hun economische
beleidsstrategieen, dan wel ontbreken daarvan, in verlegenheid brachten.  
De nieuwe werk aanpak van de coordinaties heeft vervolgens ertoe geleid
dat de bestuurders in versneld tempo zich als ondernemers gingen opstellen
en voortaan het lokaal potentieel gaan mobiliseren in plannen die veel
verder gaan het kader waarin de vroeger almachtige (centrale)  staat
placht te opereren. Dit gaat nu zover dat Duinkerken (Dunkerque )  zich
thans wenst te afficheren als een 'Vlaamse haven'. Dat wil zeggen dat het
zich veel dichterbij Antwerpen voelt dan van Parijs, en dat het wens veel
actiever deel te nemen aan de Europese handelsstromen die door het
'hexagonaal denken' (de 'zeshoek' - hexagone - is de geometrisch
symbool/afkorting van Frankrijk, vert.)  veronachtzaam werden, en veel
succesvoller door het Rhenaans achterland getapt werden. Dit is dan ook
het articulatie moment van de relatie tussen (haven)steden en
multinantionale ondernemingen. Zo gaat Duinkerken in toenamende mate
samenwerken met Belgische firma's die massaal in de havens zijn gaan
investeren en terminals opzetten die aangesloten zijn op geheel andere
netwerken dan de hoogovens (van Noord Frankrijk en Lotharingen, vert.) of
andere delen van het Frans grondgebied. Ook, alweer een primeur in
Frankrijk, zijn distributiebedrijven van Amerikaanse en Aziatische
goederen zich in Duinkerken gaan vestigen. Vroeger zouden zij dat nooit
gedaan hebben, en gaven de voorkeur aan echte commerciele havens elders in
Europa.

We moeten benadrukken dat territoir niet lokale parochie betekent, in
tegendeel. Beide havensteden hebben juist het Gallisch lokalisme waarin de
centrale staat hen hield van zich afgeschud toen zij zich zijn gaan
opwerpen als economisch groeipolen die gebaseerd zijn op een netwerk van
samenwerkingsverbanden op Europees en zelfs mondiaal nivo. Het ruimtelijk
autisme van de oude staatsstrukturen heeft zowel de twee steden als de
coordinaties gedwongen om aansluiting te zoeken bij federale organisaties
om hun verdere ontpooing veilig te stellen. De coordinaties hebben ook
bereikt dat de verhoudingen een meer op de burger georienteerd karakter
kregen, niet langer alleen maar gefundeerd op het werk, maar op het geheel
der produktieve aktiviteiten van de stad.  Dit fenomeen leidt ertoe dat in
Europa steeds meer complexe stedelijke territoria - en dat niet alleen in
geografisch opzicht - naarmate elke stad allelei vormen van samenwerking
met andere steden aangaat, naar gelang de soort van materiele en
immateriele producties die het wenst te beginnen.  Zodoende maakt de stad
zijn burgers het mogelijk om deel te zijn van polen, niet van eenzijdige
excellentie, maar van meervoudige complexiteit.

Maar de sociologische analyse van de coordinaties laat ook hun grenzen
zien, omdat het reterritorialisatie proces nog steeds slechts gedragen
wordt door een, dominante, economische activiteit, en het gehele, op
diversiteit gebaseerde potentieel van de 'intermitentie' hier bij lange na
niet tot uitdrukking wordt gebracht. Bovendien blijkt het dat het juist de
wetenschappers en de cultuurdragers zijn, in Frankrijk immers door de
centrale staat naar deze of gene standplaats uitgezonden, die zich het
meest verzetten tegen deze ontwikkelingen, zich beroepend op hun
'universele' missie, in tegenstelling tot deze zogenaamde eng-lokale
bewegingen. Wat niet wegneemt dat de inzet van de coordinaties steeds meer
burgers, maar ook steeds meer lokale politici, ertoe brengt om zich verder
te committen aan de transformatie van de bestaansvoorwaarden van het
gebied. En dit fenomeen, dat thans een politiek karakter gaat aannemen,
breidt zich uit naar andere creatieve aktiviteiten in de stad, al is het
zo dat onder het tanende, maar nog steeds aanwezige invloed van de
centrale overheid, dit nog steeds voornamelijk de zogenaamde informele
sector geldt.  Het opkomen van de stad als gemeenschappelijk terrein maakt
dat deze steeds meer de vorm gaat aannemen van een alternatief openbaar
gezag, zij het eerder complementair met dan tegengesteld aan nationale of
federale instituties. Het laatste is dan ook van essentiele belang voor de
multitudes wat betreft de noodzakelijke, 'zware' investeringen.  Deze
pragmatische zienswijze behoedt ons ervoor om dit nieuwe openbaar
gezagsinstantie als een op zich staande compleetalternatieve constructie
te zien, immers overkoepelende instanties blijven nodig, was het alleen
maar op het gebied van het herverdelen van resources (6).  Maar wat deze
havensteden wel duidelijk maken is dat de stad een zwaartepunt is van de
strijd om een andere globalisatie omdat zij de plek is van de direkte
confrontatie met de strategieen van de geglobaliseerde ondernemingen. Wij
moeten in de stad investeren om de globalisatie niet, letterlijk, over te
laten aan het kapitaal.  


Noten:

(1) Dit valt te zien als een voortzetting van het aloud parochiaal
opbouwwerk die de RK kerk altijs al gekenmerkt had.

(2) cf T.Baudouin et all, "Mouvements de chomeurs et de précaires en
France, la revendication d'un revenu garanti", Paris: Mire, 1989 (The
movement of jobless and precarious workers in France: the demand for a
guaranteed income'), and earlier: T.Baudouin & M.Collin: "'Le
contournement des forteresses ouvrières. Précarité et syndicalisme",
Paris: Meridien-Klincksieck, 1983. ('Routing around the fortresses of the
working class. Precarity and trade unionism')

(3) Zie hierover "Globalisering en de Stad" in Multitudes no 6, sept 2001
(in 't Frans)

(4) Ook in Multitudes no 6, Arnaud le Marchand's artikel "Flexibele arbeid
en de de productie van de post fordistische stad" (in 't Frans)

(5) Zulke termen waren nog steeds te horen tijdens onderhandelingen over
de toekomstige, volledig geautomatiseerde container haven!

(6) Zie m.n. no8 van Multitudes (maart 2002) over het gegarandeerde
inkomen. (in 't Frans)

---------------------------------------------


Origineel: Thierry Baudouin: Les coordinations, des métiers au territoire
de la ville.  Multitudes no 17 (2004).
(http://multitudes.samizdat.net)

vertaald door Patrice Riemens
Groningen, augustus 2004

______________________________________________________
* Verspreid via nettime-nl. Commercieel gebruik niet
* toegestaan zonder toestemming. <nettime-nl> is een
* open en ongemodereerde mailinglist over net-kritiek.
* Meer info, archief & anderstalige edities:
* http://www.nettime.org/.
* Contact: Menno Grootveld (rabotnik {AT} xs4all.nl).